De output is nooit goedkoper dan de input

Shannon Falconer, CEO van BioCraft Pet Nutrition, zei onlangs iets wat in elk investeringsmemo over alternatieve eiwitten zou moeten staan: “the output will never be cheaper than the input.” Haar punt: een gekweekte cel bevat nooit meer eiwit dan je hem voert. BioCraft haalde in 2024 een productiekost van ongeveer $2,00–2,50 per pond en is niet van plan verder te dalen, omdat voedingswaarde nu eenmaal via de input moet binnenkomen.

Een fysieke grens, geen engineeringprobleem

Dat is een fysieke grens, geen engineeringprobleem. Het verklaart ook een tegenstrijdigheid die deze maand zichtbaar werd. Bain rekent alternatieve eiwitten tot de technologieën die “kritisch zijn achtergebleven” bij de verwachtingen van tien jaar geleden, na bijna $20 miljard aan investeringen. Tegelijk haalden fermentatiebedrijven 84% van de €236 miljoen die Europese alt-proteïnestartups in H1 2026 ophaalden. Plantaardig zakte in dezelfde periode van €61 miljoen naar €18 miljoen.

Kapitaal kiest een verhouding, geen technologie

Het kapitaal kiest dus niet voor een technologie maar voor een verhouding: de waarde van het molecuul tegenover de kosten van de grondstof. Twee bewegingen van deze week laten zien waar die verhouding gunstig uitpakt.

Hoge waardedichtheid

Bestzyme’s brazzeïnelijn maakt ruim 100 ton per jaar, maar levert de zoetkracht van ongeveer 300.000 ton suiker. Sun Bear Biofuture’s gistvet scoorde in consumententests gelijk aan of beter dan cacaoboter in vier van de vijf producten. Dat zijn prijspunten waar fermentatie niet met bulk-eiwit concurreert, maar met schaarse, volatiele grondstoffen.

Goedkopere input

React Foods kreeg DKK 4,2 miljoen (circa €560.000) van het BioInnovation Institute om gist te maken uit CO₂ en groene waterstof. Soufflet Malt en Eat The Truth fermenteren mout tot cacao- en koffiesmaken en claimen lagere operationele kosten, al gaven ze geen cijfers. MOA Foodtech werkt met reststromen uit de agrifood.

De investeringsthese

De interessantste fermentatiecases van 2026–2028 zijn geen “vervangers” van vlees of melk op kilobasis. Het zijn bedrijven die óf een molecuul maken dat per kilo duizenden keren meer waard is dan de suiker die erin gaat, óf de inputkant structureel goedkoper maken.

De vraag voor de commissie

In een investeringscommissie zou ik drie dingen vragen:

  • Wat is de verhouding tussen verkoopprijs per kilo en grondstofkosten per kilo, en hoe gevoelig is die voor een dubbele suikerprijs?
  • Welk deel van de marge komt van het molecuul, en welk deel van subsidie of een tijdelijke premie?
  • Tegen welke benchmark concurreer je: goedkope bulk of een schaarse, volatiele grondstof zoals cacao?

Bain merkt terecht op dat nieuw kapitaal zich nog moet vertalen in producten die consumenten verkiezen tegen een concurrerende prijs. De spreadsheet vertelt je al vóór het proefpanel waar dat kan.

Bronnen

Vergelijkbare berichten